Conlusie onderzoek partijwebsites 2004
In het voorgaande hoofdstuk zijn heel wat gegevens verzameld. Hier en daar werden de data al met elkaar in verband gebracht en vergeleken. In dit hoofdstuk zullen de hypotheses gebruikt worden om de bevindingen van dit werkstuk te structureren. De hypotheses worden uitgebreid becommentarieerd en nauwkeurig beantwoord door gebruik te maken van de in het onderzoek verkregen kennis. De verzameling van alles wat in de antwoorden op de hypotheses aan bod komt, geeft tevens een antwoord op de centrale onderzoeksvraag. De hypotheses worden vooreerst één na één herhaald en behandeld.
1. De kwaliteit van partijwebsites is groter naarmate verkiezingen dichterbij komen. Men verwacht dat partijen een extra inspanning doen om kiezers gunstig te stemmen door een aantrekkelijke partijsite aan te bieden. Eerder onderzoek van De Landtsheer gaf al aan dat dit niet het geval was en dat de kwaliteit zelfs licht afneemt in verkiezingstijd. Ook in dit onderzoek wordt geen eenduidige stijging met het codeerschema van De Landtsheer vastgesteld. Het codeerschema van Norris geeft vergelijkbare resultaten. Met de codeerschema’s worden geen extra inspanningen ontdekt. Sommige partijen, en dan vooral diegene die ook een goede partijwebsite hebben, ontwikkelen echter een campagnesite, waarvan de kwaliteit vaak goed is. Vooral het uitzicht en de vorm van die websites scoort zeer hoog. Deze sites worden speciaal voor de verkiezingen ontworpen en kunnen daardoor gebruik maken van modernere technologie dan de vaak wat oudere algemene partijsites. Ook kandidaten pakken in verkiezingstijd uit met een eigen site. Partijen met een goede algemene site hebben vaak meer kandidatensites, maar het is niet zo dat de partijen met de beste algemene sites ook de beste kandidatensites hebben. Net als de campagnesites is bij de kandidatensites overigens de esthetiek en vorm het beste uitgewerkt. Men kan ze dan ook vaak beschouwen als een ‘mark of modernity’, zoals Valovic het noemt. (2000: 12) Voor de grotere aandacht van partijen voor het internet in verkiezingstijd bestaat nog een andere aanwijzing. Deze werd gevonden in het interactiviteitsonderzoek: de gemiddelde wachttijd alvorens partijen reageren op een vraag daalt als verkiezingen dichterbij komen. Hoewel de codering van de algemene partijsites geen groot vastgesteld kwaliteitsverschil oplevert, is het duidelijk dat partijen in verkiezingstijd meer aandacht besteden aan hun aanwezigheid op het internet.
2. In een periode van minimaal één jaar stijgt de kwaliteit van partijsites. Deze hypothese is geldig. De resultaten van de codeerschema’s van Norris en De Landtsheer geven aan dat de gemiddelde scores van de partijsites voortdurend stijgen. De campagnewebsites stijgen algemeen bij De Landtsheer. Bij Norris stijgt het onderdeel communicatie, maar daalt het domein informatie. Deze daling is echter wellicht te wijten aan het niet voorkomen van de website van het kartel SP.A - Spirit op het tweede meetmoment. Er zijn echter uitzonderingen. De resultaten van het codeerschema van De Landtsheer geven immers aan dat Liberaal Appel, AEL, maar ook Spirit en PvdA systematisch aan kwaliteit inboeten. De kloof met de beste websites, die steeds beter worden, wordt zo groter. Partijen met echt lage scores boeken niet vaak vooruitgang. De gemiddelde kwaliteit stijgt, maar vooral door de inspanningen van de sites die al betrekkelijk goed scoorden.
3. Grote partijen hebben betere websites dan kleine partijen. Verwacht wordt dat grote partijen meer geld investeren in communicatiemiddelen, zoals een website. Dit zou moeten resulteren in een betere kwaliteit. Deze hypothese eenduidig weerleggen of bevestigen is moeilijk. Vooreerst is het weldegelijk zo dat grote partijen vaak beter scoren. Met het codeerschema van Norris scoren grote partijen als Vlaams Blok, CD&V, PS, SP.A, MR en CDH goed tot zeer goed. De slechtste scores zijn voor kleine partijen als FNB, Solide, Liberaal Appel, AEL en FN. De scores van N-VA, FDF en VLD maken echter duidelijk dat dit niet zo hoeft te zijn. N-VA en FDF zijn twee kleine partijen die zeer goed scoren en VLD is een grote partij die maar middelmatig scoort. Hetzelfde wordt geconstateerd met het codeerschema van De Landtsheer: niet alleen CD&V en SP.A behoren tot het type ‘professionele communicatieplatformen’ van de zelf geconstrueerde typologie, maar daarnaast ook de kleine N-VA. Het is wel zo dat het type ‘aanwezigheidswebsites’ enkel bestaat uit websites van kleine partijen. Grote partijen scoren ook beter dan kleien partijen bij de beoordeling van de kandidatenwebsites. Ten eerste hebben grote partijen doorgaans veel meer kandidatenwebsites en ten tweede is de kwaliteit ervan ook betere. De kleine partijen vallen echter elders in positieve zin op. Ook al is hun website vaak erg eenvoudig, soms maken ze uitvoerig gebruik van de interactiemogelijkheden van het internet. Het interactieonderzoek geeft aan dat relatief kleine partijen als Ecolo en Agalev accurater antwoorden op vragen van bezoekers dan de grote partijen, maar dat ook de echt kleine partijen als FN, Vivant, Solide en PvdA het goed doen. Hoewel deze kleine partijen vaak niet goed scoren op de onderdelen interactie of communicatie van de codeerschema’s, toch verloopt de interactie vlot. Wanneer het interactieonderzoek vermeld wordt, is het overigens, hoewel het niet echt thuis hoort bij het verschil tussen grote en kleine partijen, interessant om te herhalen dat welbepaalde vragen sneller beantwoord werden dan andere vragen. Het minst lang moet iemand wachten die op zoek is naar informatie over hoe lid te worden. Zoals kleine partijen beter scoren in het interactiviteitsonderzoek, behalen sommige kleine partijen ook een hogere score dan verwacht op de kwaliteit van hun links. Dit is het geval bij Ecolo, PvdA, N-VA, Vivant en Agalev. Grote partijen als Vlaams Blok, SP.A, MR en CD&V halen een lagere score dan verwacht. De aangeboden links zijn overigens meestal een subjectieve greep uit het totale aanbod van websites en vormen daardoor geen meerwaarde voor de pluriformiteit. Samenvattend is duidelijk dat de algemene kwaliteit van de meeste kleine sites slechter is dan die van de meeste grote sites. Soms slagen ze er echter in om op een zeer specifiek terrein de groten te verslaan.
4. Linkse en Vlaamse partijen hebben betere websites dan rechtse en Waalse partijen. Deze hypothese die gebaseerd is op de conclusies van voorgaand onderzoek bestaat eigenlijk uit twee delen. Ten eerste is het een feit dat Vlaamse partijen doorgaans beter scoren dan de Waalse. Bij het codeerschema van Norris staan Vlaams Blok, N-VA en CD&V aan de leiding; bij dat van De Landtsheer zijn dat SP.A en CD&V. De derde plaats wordt hier ingenomen door PS. De Waalse partijen scoren algemeen wel iets beter voor het codeerschema van De Landtsheer: de invulling van de Waalse websites is beter dan het aantal aangeboden mogelijkheden doet vermoeden. Als de PS meer interactiviteit zou aanbieden, zou ze zonder twijfel de twee Vlaamse partijen, SP.A en CD&V, kunnen bedreigen. Vooralsnog bestaat het type ‘professionele communicatieplatformen’ echter enkel uit Vlaamse partijen. De PS is niet de enige Waalse partij die te weinig communicatiemogelijkheden biedt. Het is vooral het gebrek aan interactie dat de algemene scores van de Waalse partijen omlaag haalt. Dit blijkt ook uit het interactiviteitsonderzoek. Ecolo mag dan al wel het vaakst antwoorden, algemeen gebeurt dit bij de Vlaamse partijen toch vaker. Ook de algemene eindrangschikking van het interactiviteitsonderzoek maakt duidelijk dat Vlaamse partijen interactiever zijn dan Waalse partijen. De Vlaamse kandidatenwebsites scoren eveneens beter dan de Waalse.
Voorgaand onderzoek concludeerde ook dat linkse partijen doorgaans beter scoren dan de andere partijen. Uit de nieuwe resultaten blijkt dat dat slechts nog in enkele gevallen klopt. De rechtse en conservatieve partijen lijken aan een opmars bezig te zijn. Zo nemen Vlaams Blok, N-VA en CD&V bij Norris de eerste drie plaatsen in. PS en SP.A, maar ook het groene Ecolo en Agalev, volgen later. Bij De Landtsheer komen in de top zes nog drie linkse partijen voor, maar het aantal linkse partijen aan de kop van de rangschikking neemt af. Vlaams Blok en MR daarentegen nemen hun plaats in. Voor het interactiviteitsonderzoek kan hierover geen algemeen geldende regel worden geformuleerd: het is opvallend dat de twee groene partijen de twee eerste plaatsen innemen in de rangschikking van het aantal ontvangen e-mails, maar PS en SP.A halen veel lagere scores. De grootte van de partij lijkt hier een meer bepalende factor te zijn dan de politieke strekking van de partij. De voorsprong die linkse partijen ooit hadden op de andere partijen is met andere woorden zo goed als weggewerkt of dit is alleszins volop aan de gang.
5. De codeerschema’s van Norris en De Landtsheer geven overeenkomstige resultaten. Met behulp van de correlatiecoëfficiënten is dit aangetoond. Deze wijzen op een matig tot soms zelfs sterk verband tussen de twee codeerschema’s. Ze maken elkaar echter niet overbodig. De van de codeerschema’s verschillende resultaten van het interactieonderzoek tonen immers aan dat er steeds een onderscheid moet worden gemaakt tussen dat wat een site aan mogelijkheden aanbiedt en de eigenlijke invulling ervan.
6. Heel wat externe gegevens bevestigen de gevonden scores. Het is inderdaad zo dat veel van de externe gegevens de resultaten van de codeerschema’s bevestigen of zelfs verklaren. Zo leren de interviews ons dat partijen soms negatief staan ten opzichte van een discussieforum omdat ze bang zijn voor scheldpartijen of negatieve uitspraken over de partij. Ook bijvoorbeeld de eerder gerapporteerde lage scores voor het onderdeel humor worden in de interviews bevestigd: men gaat erg voorzichtig om met humor omdat men niemand voor het hoofd wil stoten. Het onderzoek naar de kandidatenwebsites brengt aan het licht dat partijen die een mooie algemene site hebben vaak even goede kandidatenwebsites bezitten. Het onderzoek naar de links en het interactiviteitsonderzoek leveren soms onverwachte resultaten op, maar dit is reeds elders aan bod gekomen in dit hoofdstuk.
Door uitgebreid de hypotheses hier te bespreken, daarbij steunend op wat in het vorige hoofdstuk duidelijk geworden is, hebben we een antwoord geformuleerd op de probleemstelling. We hebben vooreerst het kwaliteitsverschil tussen de websites nauwkeurig onderzocht. Het algemene ‘verschil’ is daarbij ontleed in onderdelen als taalverschillen, verschillen door een andere politieke strekking en verschillen door een verschillende partijgrootte. De resultaten in verkiezingstijd hebben we afgewogen tegen de resultaten buiten verkiezingstijd. Ten tweede zijn we door gebruik te maken van externe gegevens op zoek gegaan naar data die dit verschil konden nuanceren, bevestigen of tegenspreken, verklaren of verduidelijken. |